Schrijftips jeugd

Doe je mee aan onze zomerschrijfwedstrijd? Dan vind je hier hele goeie schrijftips.

Deze handige schrijftips krijg je van Tools voor taal

www.toolsvoortaal.nl

Alle verhalen eindigen gelukkig, als je maar op tijd stopt.
 

— Annie M.G. Schmidt

Hoi schrijver,

Als je op reis gaat, ontdek je nieuwe dingen.
Een ander landschap, andere huizen en gewoontes. Je hoort nieuwe geluiden en proeft andere smaken.
Je ontdekt iets bijzonders. Misschien kom je in de problemen of komt je droom uit.

Schrijven is net als reizen ook een avontuur. Een avontuur dat je helemaal zelf bedenkt. En dat zo spannend, bijzonder of herkenbaar is dat iedereen het wil lezen.

Zet je fantasieknop aan. Schrijf een kort reisverhaal van maximaal 250 woorden.
Een verhaal waarin je vertelt over een reis dichtbij of ver weg. Naar een plek die echt bestaat of juist niet. Alles mag. Het kan een verhaal zijn dat in het verleden speelt of in het nu.
Sleep de lezers van je verhaal mee en verras ze.

Veel schrijfplezier!

Stuur je verhaal voor 25 augustus 2020 in met dit formulier

Begin gewoon!

Hoe begin je met een verhaal? Dat kan op verschillende manieren.

Lees de volgende beginzinnen uit boeken:

  1. Een beschrijving van een landschap of plek
    ‘Raven woonde op een eiland. Een klein eiland. Een eiland van zand met plukjes helmgras.’
    Selma Noort - Raven, de jongen van het eiland
  2. Midden in een actie
    ‘Rudie van Houten reed met zijn vrachtwagen over de weg. Het was koud, maar Rudie had het juist warm.’
    Tosca Menten – Dummie de Mummie en de gouden scarabee
  3. Een dialoog (gesprek tussen twee personages)
    ‘Tot morgen!’ ‘Doei!’ Noor stapt op haar fiets. Aan het eind van de straat kijkt ze nog één keer om, maar haar vriendin Shanna is al naar binnen.
    Marlies Verhelst - In de spotlights
  4. Een uitroep of vraag
    ‘Tibbe! Waar zit Tibbe? Heeft iemand Tibbe gezien?’
    Annie M.G. Schmidt - Minoes

Dit zijn vier manieren om een verhaal te beginnen. Er zijn er nog meer. Je kunt beginnen in het nu, in het verleden of in de toekomst. Met een herinnering of een gedachte. Weet je wat? Ga gewoon beginnen!

  • Tip 1: Denk niet te lang na, begin gewoon. Ook al weet je nog niet wat je wilt schrijven en hoe het afloopt. Schrijf de eerste versie van je verhaal. Als je schrijft, weet je vaak ineens wél hoe je verder wilt. Daarna kun je nog dingen veranderen of weglaten. Die tweede versie wordt altijd beter. Die stuur je in voor de schrijfwedstrijd.
  • Tip 2: Prik een zin uit een tijdschrift of krant en schrijf verder. Zet je timer op tien minuten, denk niet na en schrijf verder.
  • Tip 3: Twijfel niet te lang over het begin. Als je verhaal af is, kun je dat altijd nog veranderen.

Hoofdpersoon en andere personages

Je hoofdpersoon is de belangrijkste persoon in je verhaal. Daarnaast zijn er meer personen. Personages, noem je die. Een kort verhaal heeft niet teveel personages: je hoofdpersoon en hooguit twee of drie anderen. Natuurlijk mag er best nog een losse een ober voorbijlopen. Of kan je hoofdpersoon onderweg een hond knuffelen.

Heel belangrijk: je hoofdpersoon WIL iets. Dat kan iets groots of iets kleins zijn. Een berg beklimmen. Vrienden worden met iemand op de camping. Een koala of zeldzame vogel spotten. Een hele nacht opblijven. Wat het ook is: zonder wil of wens, heb je geen verhaal.

  • Tip 1: Maak een paspoort van je hoofdpersoon. Schrijf dingen op over haar of zijn UITERLIJK. Bijvoorbeeld: haarkleur, soort haar, kleur ogen, lengte, soort kleren en schoenen, een bijzonder kenmerk (litteken, flaporen, tattoo).
    Schijf ook dingen op over het INNERLIJK. Waar word je hoofdpersoon blij van en van wat wordt zij of hij bang? Is je hoofdpersoon druk of rustig, een doener of een denker? Wat is irritant aan haar of hem? Wat kan je hoofdpersoon goed en wat niet? Waar kun je hem of haar ’s nachts wakker voor maken?
  • Tip 2: Schrijf een paar korte stukjes om je hoofdpersoon beter te leren kennen. Bijvoorbeeld: schrijf hoe je hoofdpersoon reageert op een zakkenroller. Wat zegt, denkt en doet hij of zij? Of beschrijf hoe je hoofdpersoon haar rugzak of koffer inpakt.

    ‘Hij was een beer van een kerel, met woeste krullen, een gespierde nek en tatoeages van draken op zijn arm en hij was voor geen levend wezen bang. Maar hij was als de dood voor alles wat dood was.’
    Tosca Menten - Dummie de Mummie en de gouden scarabee

    ‘Ik heet Christopher John Francis Boone. Ik ken alle landen van de wereld met hun hoofdstad en alle priemgetallen tot 7507. Ik hou van honden. Je weet altijd wat een hond denkt. Hij heeft vier stemmingen. Blij, verdrietig, boos en geconcentreerd. Ook zijn honden trouw en liegen ze niet omdat ze niet kunnen praten. Ik hou niet van mensen die tegen me schreeuwen. Dan word ik bang dat ze me gaan slaan of aanraken en dan weet ik niet wat er gaat gebeuren.’
    Mark Haddon - Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht

Vanuit wie vertel je?

Lees deze zinnen:

  • ‘Toen mijn vader een struik werd, woonden we ergens anders. Ik dacht in die tijd nooit dat het ergens anders was. Het was overal ergens anders, behalve waar we woonden.’
    Joke van Leeuwen – Toen mijn vader een struik werd
  • ‘Dolf Wega stond aan de zijkant van een holle weg. Aan weerszijden zag hij hoge bermen, begroeid met bomen, struiken, gras en bloemen.’
    Thea Beckman – Kruistocht in spijkerbroek
  • ‘Lampje ruikt het zilte water en hoort het gekrijs. Ze voelt ook de steentjes in haar rug prikken en dat haar jurk nat is. Ze doet haar ogen een beetje open en door haar wimpers ziet ze de vuurtoren, hoog tegen de wolken.’
    Annet Schaap – Lampje

Zie je? De verteller van het verhaal kan een ik zijn, een zij of hij. Je kunt een verhaal dus op verschillende manieren vertellen. Bedenk welke manier van vertellen jij leuk vindt.
Kies je voor een ik? Dan kunnen je lezers heel goed meevoelen met wat je denkt en meemaakt.
Kies je voor een hij of zij? Dan kun je wat meer beschrijven over je hoofdpersoon. Bijvoorbeeld wat hij of zij doet en over de plekken waar je hoofdpersoon komt.
Een andere manier van vertellen is de alwetende verteller. Een voorbeeld van die manier van vertellen zie je in dit stukje verhaal van Roald Dahl:

‘Weet je wat zo raar is van vaders en moeders? Al is hun eigen kind het walgelijkste mormel dat je je voor kunt stellen, zij blijven ervan overtuigd dat hij of zij fantastisch is.’
Roald Dahl - Mathilde

Tip
Heb je een stukje van je reisverhaal in de ik-vorm geschreven? Herschrijf het stukje in de hij- of zij-vorm. Kijk wat het beste werkt.


Zo bouw je een verhaal

Een verhaal is net een bouwwerk. Je hebt er bouwstenen voor nodig.

Dit zijn de bouwstenen voor een kort reisverhaal:

  1. Een hoofdpersoon en nog een paar personages
  2. De wil of wens van je hoofdpersoon
  3. Een probleem of conflict
  4. Een plek
  5. Een oplossing
  6. Spanning

Je weet al wie je hoofdpersoon is en wat hij of zij wil.

Een probleem
Zonder een probleem of conflict heb je geen verhaal. Als het je hoofdpersoon meteen lukt wat ie wil, zou het een saai en heel kort verhaal worden.
Je hebt een tegenkracht nodig. Dat een berg zijn die te hoog is of omdat je bang bent. Het kan ook een wolf zijn, een jaloerse vriendin of een onweersbui.

Een plek
Geen reisverhaal zonder plek of bestemming. Die plek kan heel dichtbij zijn (het park in de buurt, je eigen balkon, een dorp dichtbij) of een eiland of land ver weg. Het kan ook een vervoermiddel of slaapplek zijn (een trein, een raket of tent). De plek kan echt bestaan of verzonnen zijn (De grotten van Nerja, De Efteling, Mars, Spokanië).

Een oplossing
Aan het eind van een reisverhaal is er vaak een oplossing. De bergtop is bereikt. Ook al was je bang, je hebt toch gebungyjumpt. Je weet ineens wat het doel is in je leven. Je hebt een nieuwe planeet ontdekt.
Die oplossing hoeft niet, je kunt ook een open eind aan je verhaal maken.

Spanning in je verhaal
Verder bouw je een verhaal op door spanning. Geen spanning zoals in een thriller of detective. Met spanning bedoelen we: zin om dóór te lezen.
Hoe bouw je die spanning op? Dat doe je door bij je lezer vragen op te roepen. Wat is Pablo van plan? Wat zit er in dat kistje onder het matras? Waarom liegt de campingbaas steeds? Waarom staat deze plaatsnaam op geen enkele landkaart? Met zulke vragen willen je lezers graag weten hoe de alinea, de bladzijde, het verhaal verdergaat. Zo ‘sleep’ je hem door je verhaal.

  • Tip 1:
    Een tikkende klok helpt ook voor de spanning in je verhaal. Als lezer vraag je je af: lukt het Bibi om de laatste boot te halen? Of lukt het Kevin op tijd de code te kraken?
  • Tip 2:
    Schrijf op post-its de gebeurtenissen en plak ze op je deur of muur.

‘Ik werd in de tweede week van juni ontvoerd. Maar goed ook; het dreigde toch al een beroerde zomer te worden.’
Siri Kolu - Ik en de rovers

Vida wees naar het uithangbord met Hotel Libro Amigos. De gevel was vol geschilderd met boeken.
‘Boeken,’ mompelde Stefan. ‘Houden we alle drie van boeken misschien? Dat is het! Dit boek wil ons iets vertellen.’
De boeken in hun handen gloeiden. Ook de boeken op de gevel kleurden warm rood.
‘Dit is de plek,’ zei Vida beslist en ze duwde de zware hoteldeur open.
Stefan struikelde bijna over de drempel omdat hij op zijn horloge keek. ‘Nog maar vijf minuten.’
Annemarie van den Brink - Het raadsel van Sensibus, in: Door dik en dun, verhalen over vriendschap

‘Ik kan het eigenlijk nog steeds niet geloven: ik ga het echt doen. Twee dagen geleden was het niet meer dan een idee. Iets waarvan ik dacht: als ik een totaal ander meisje was, dan zou ik nu mijn middelvinger naar de wereld opsteken en naar New York vliegen.
Het is vrijdag 26 oktober. Over tien en een half uur ben ik er.’
Anna Woltz - Honderd uur nacht


Schrijf precies

Het leuke van een reisverhaal: als lezer voel je je óók op dat zwoele strand. Of in die raket, die kano over de wilde rivier of op een tropische markt vol kraampjes. Hoe doe je dat? Hoe zorg je er als schrijver voor dat je voorstelt dat je daar écht bent?

  • Tip 1 Gebruik geuren, kleuren en smaken.

‘Het eerste waarvan ik wakker werd, was die eigenaardige, doordringende geur die om me heen hing.’
Anna Ruhe - De magische apotheek

  • Tip 2 Beschrijf wat de personages in je verhaal doen.

‘Dexter duwde de gashendel naar voren en met een woeste grom sloeg de motor aan.’
Yorick Goldewijk - Billy Extra Plankgas

  • Tip 3 Gebruik bijvoeglijke naamwoorden als je een personage, ding of plek beschrijft. Of vergelijk ze met iets anders.

‘Het stonk bij ons in de grot. Het stonk naar natte luiers die te drogen hingen, naar de mest van onze geiten, onze varkens en onze ezel, naar de emmer waar we onze behoefte op deden en die tot de rand vol in een hoek stond.’
Els Pelgrom - De eikelvreters

  • Tip 4 Gebruik gesprekken (dialogen). Met een gesprek (dialoog) tussen twee personages kun je ook veel duidelijk maken.

‘Ik miet un bieteriemetje met pindekies.’
‘Wát zei je daar?’ vroeg Tine.
‘Ik miet un bieteriemetje met pindekies.’
‘Ik versta het! Ik versta het!’ riep Tine tegen de wind.
Ze holde naar de keuken en smeerde een boterham heel dik met pindakaas.
Joke van Leeuwen - Iep!


‘Mamma,’ zei Matilda, ‘mag ik misschien in de eetkamer gaan eten, dan kan ik mijn boek lezen.’
De vader keek boos op. ‘Geen sprake van!’ snauwde hij. ‘Het eten is een familiegebeuren en niemand gaat van tafel voor we klaar zijn.’
‘Maar we zitten niet aan tafel,’ zei Matilda. ‘Dat doen we nooit. We eten altijd met ons bord op schoot voor de tv.
‘En wat is er mis met de tv, als ik vragen mag?’ vroeg de vader. Zijn stem klonk plotseling zacht en dreigend.
Roald Dahl - Matilda


‘Kan ik bij jou logeren?’ vroeg ik opeens. Het was eruit voordat ik het wist. ‘Als de Kinderbescherming me in een ander gezin gaat plaatsen, bedoel ik.’
Rik dacht even na. ‘Vast wel,’ zei hij toen.
‘Zou het van je moeder mogen?’
‘Van m’n moeder mag alles,’ antwoordde Rik met een grijns.
Henk Hardeman - Hoe ik mijn vader redde

  • Tip 5 Laat het voelen
    Je kunt schrijven: Ik was bang. Je kunt ook schrijven: Mijn hart timmerde onder mijn trui.
    Je kunt schrijven: Ibrahim was kwaad. Je kunt ook schrijven: Ibrahim deed de deur zachtjes dicht. Toen kwam hij weer binnen, keek me ijzig aan en trapte tegen de deur.

‘En. Nou. OPGEDONDERD!’ Er komt een enorme stem uit zijn mond en zijn hand slaat de stok met een klap op de tafel, zo hard dat de kopjes opspringen en een van de hulpsherrifs een gilletje slaakt.’
Annet Schaap - Lampje


Kies je titel slim

Met een goede titel valt je verhaal meteen op. Kies je titel dus slim!

Vijf manieren om een titel voor je reisverhaal te bedenken

  1. Naam van je hoofdpersoon
    Harry Potter, Lampje, Niels Holgersson, Katvis
  2. Raadselachtige titel
    Een brief met vlechtjes, Zwerveling, De blauwe vleugels, Het geheim van Lode A.
  3. Plek
    Nevermoor, Bestemming onbekend, Het gelukkige eiland, De boomhut.
  4. Klinkt lekker
    Het Hersenhotel, De kinderkaravaan, Heppie Kemper
  5. Waar je verhaal over gaat
    Alleen op de wereld, Eilandenruzie, De reis van Yarim, Reis om de wereld in 80 dagen, Pech onderweg.
  • Tip 1 Schrijf eerst je verhaal. Verzin daarna de titel.
  • Tip 2 Heb je meer goede titels bedacht voor je verhaal? Leg ze voor aan je vrienden en familie.

Puntjes op de i

Je eerste versie is af. Tijd voor de tweede!

Check deze lijst en kijk hoe je verhaal nóg beter wordt.

  1. Lees je verhaal hardop voor. Dan hoor je vaak vanzelf al waar het saai wordt of welke stukjes of zinnen je net zo goed weg kunt laten. Waar klinkt het lekker en waar haak je af? Waar zie je het zo voor je en waar blijft het vaag?
  2. Welke woorden kun je weglaten? Vaak kun je woorden als ‘nog’, ‘maar’, ‘ook’ of ‘even’ net zo goed weglaten.
  3. Wat kun je nog toevoegen? Kijk waar extra woorden of zinnen je verhaal beter maken. Denk aan details, bijvoeglijke naamwoorden of gesprekjes tussen je hoofdpersonen.
  4. Ziet je verhaal er goed uit? Het leest prettig als je de regels niet te dicht op elkaar typt.
    Tips: Gebruik alinea’s. Bij een dialoog: gebruik aanhalingstekens en zet de zinnen onder elkaar.
    Bijvoorbeeld:
    ‘Noemen jullie dat zo hier?’ vraag ik. ‘Een kikker kwaakt, een schaap mekkert en een hond zingt?’
    ‘Jij daagt mij uit!’
    Ik stop mijn handen in mijn zakken.
    ‘Toen ik negen was,’ zeg ik, ‘sprong ik midden in de winter in het kanaal. […]’
    Anna Wolz - Alaska

Tip:

Ga naar de workshop zomerschrijven. Dan kun je nog beter leren schrijven en inspiratie opdoen.

  • Schrijfworkshop Reis mee!

    Leer alles over het schrijven van een reisverhaal. Van een fantasieverhaal waarin je zelf de hoofdrol speelt, tot een verhaal over jouw fijnste vakantie ooit. Verhalenmaker Francis Boer geeft de workshops....

    Van 14:00 tot 16:00

    Leidsche Rijn Centrum | 8-13 jaar

    zo 26 jul

  • Schrijfworkshop Reis mee! (geannuleerd)

    Leer alles over het schrijven van een reisverhaal. Van een fantasieverhaal waarin je zelf de hoofdrol speelt, tot een verhaal over jouw fijnste vakantie ooit. Verhalenmaker Francis Boer geeft de workshops....

    Van 14:00 tot 16:00

    Leidsche Rijn Centrum | 8-13 jaar

    zo 23 aug

Leuke boeken om te lezen en schrijfinspiratie uit te halen