Schrijftips jongeren

Doe je mee aan onze zomerschrijfwedstrijd? Dan vind je hier hele goeie schrijftips.

Deze handige schrijftips krijg je van Tools voor taal

www.toolsvoortaal.nl

Omdat het heerlijk is om avonturen te verzinnen, personages te laten doen wat je wilt en werelden te creëren. Je kunt helemaal verdwijnen in een verhaal en je kunt de gekste dingen verzinnen!

 

— Tamara Geraerds over schrijven

Ha schrijver,

Blijf jij thuis deze zomer, maar had je het liefst een verre reis gemaakt? Of ben je wel op vakantie en maak je iets mee dat je wilt delen? Misschien reis je wel in je hoofd naar fantasieplekken en ontmoet je de meest bizarre of wonderlijke wezens.

Schrijf jouw reisverhaal! Dat kan een reis uit het verleden zijn, een reis ver weg, of misschien wel heel dichtbij. Of een fantasiereis, zoals ‘Alice in Wonderland’ of ‘Reis om de wereld in 80 dagen’. Zulke reizen noemen ze ook wel imaginaire reizen.

Schrijven is een avontuur. Net als reizen. Een avontuur waar jij een wereld verzint en personages verzint. Een wereld waarin je je lezer meetrekt. Verras die lezer, laat hem meelachen, meehuilen en mee pijn lijden.

Veel schrijfplezier!

Stuur je verhaal voor 25 augustus 2020 in met dit formulier

Gewoon beginnen!

Je kunt je verhaal op verschillende manieren beginnen.
Met een terugblik, een vooruitblik of midden in een actie in het nu.
Met een beschrijving van een landschap, een geur of observatie van een persoon.
Met een gedachte, herinnering, dialoog of een vraag.

Bekijk de voorbeelden uit romans en bedenk wat voor jou een spannend begin is. En dat betekent niet dat er gelijk een moord moet zijn. Een spannend begin betekent dat de lezer heel graag wil weten het verhaal verder gaat.

  • Tip 1: Denk niet te lang na, begin gewoon. Dit wordt pas je eerste versie. Daarna ga je herschrijven: schrappen, omgooien en schaven.
  • Tip 2: Prik een zin uit een tijdschrift of krant en schrijf verder. Zet je kookwekker op tien minuten, denk niet na en ga schrijven.
  • Tip 3: Staar je niet blind op de perfecte beginzin. Deze kun je altijd schrijven als je verhaal klaar is. Dan zie je ook vaak dat je de eerste zinnen of alinea gewoon kunt schrappen. De allereerste zinnen zijn vaak nodig om in je verhaal te komen en om te zorgen dat het bij jou als schrijver gaat stromen.

‘Daar ligt ze. Haar ogen gesloten, haar mond geopend. Doodstil. Als een lappenpop.’
Cis Meijer – Knock-out

‘Dit zijn de dingen die ik weet: Ik heet Budo. Ik besta nu vijf jaar. Voor iemand zoals ik is vijf jaar ongeveer bejaard.’
Matthew Dicks – Herinneringen van een denkbeeldig vriendje

‘Op een regenachtige middag moest ik naar de Hemel.’
Benny Lindelauf – De hemel van Heivisj

‘Het moment dat Caitlin naar huis gebracht wordt, sta ik langs de weg.’
Anne Provoost – Vallen


Personages

In een kort verhaal draait het om een hoofdpersoon en hooguit twee of drie anderen. Dat zijn dan personages die echt iets betekenen in het verhaal. Natuurlijk mag er best nog een gekke toerist voorbijlopen of kan je hoofdpersoon aan iemand de weg vragen.

Je hoofdpersoon is de drager van je verhaal en - heel belangrijk -, hij of zij wil iets. Zonder wens of wil, heb je geen verhaal. Die wens kan groot of klein zijn: van een treinreis door Oost-Europa tot de hele dag in een hangmat bungelen. Van oog in oog staan met een ijsbeer tot een afspraakje met de kassière.

  • Tip 1: Maak een paspoort van je personage. Noteer tien trefwoorden die iets zeggen over het uiterlijk. Bedenk een voornaam en een achternaam. Geef je persoon een leeftijd. Wat is de achtergrond van je personage. Wat doet hij of zij de hele dag. Wat zijn de leuke kanten, wat zijn de duistere kanten van je personage. Wat is de hobby van je hoofdpersoon? Waar is je personage bang voor en waar kun je jouw personage voor wakker maken. Wat is zijn of haar angst en wat raakt je personage? Waar kun je hem of haar ’s nachts wakker voor maken?
  • Tip 2: Schrijf een paar korte scènes om je personage beter te leren kennen. Bijvoorbeeld: schrijf een dialoog tussen je personage en een zakkenroller of beschrijf hoe je personage zijn of haar rugzak of koffer inpakt. Zoom in op details en handelingen.
  • Tip 3: Je kunt ook foto’s uit tijdschriften of via internet zoeken. Misschien ontdek je zo wel jouw geschikte personage. Volg daarna tip 1 en 2, zodat je je personage echt leert kennen. 
  • Tip 4: Als je je personage goed kent, heb je vaak maar heel weinig zinnen nodig om je personage goed neer te zetten. Kijk maar naar de voorbeeldzinnen.

‘Hij had een snor, geen lullige zoals ik, maar een echte snor waar veel volwassen mannen jaloers op zouden zijn en die een gevierde olieworstelaar niet zou misstaan. De ruwe stoppels op zijn wangen maakten duidelijk dat deze jongen zich al een tijdje schoor.’
Murat Isik – Wees onzichtbaar

‘Alex had een blikje bier bij zich dat hij een paar keer aan zijn mond zette en daarna in de struiken gooide.’
Anne Provoost - Vallen

‘Ik keek op en zag mevrouw Shears vanaf het terras aan komen rennen. Ze droeg een pyjama en een ochtendjas. Haar teennagels waren knalroze geverfd en ze had geen schoenen aan. Ze schreeuwde: Wat heb je godverdomme met m’n hond gedaan?’
Mark Haddon - Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht


Vanuit wie vertel je?

Een schrijver heeft iemand nodig die zijn verhaal kan vertellen. De schrijver moet vanuit iemands mond of iemands gedachte kunnen denken en spreken. Dat kun je op verschillende manieren doen.

De verteller van het verhaal kan een ik zijn, een zij of hij. Je kunt een verhaal ook vanuit een voorwerp vertellen.

Vertel je vanuit een ‘ik’, dan is het vaak alsof de schrijver die ik is. De schrijver denkt, lacht, voelt, hoopt en lijdt zoals de ik-persoon dat doet.

Vertel je vanuit een hij/zij-personage, dan sta je als schrijver meer van buitenaf te kijken. Je kunt niet in ieders hoofd meekijken. Als de schrijver wel in ieders hoofd kan meekijken en meedenken dan noem je dat een alwetende verteller. Alwetende vertellers weten alles over de personages, over vroeger en over later. Sprookjes hebben bijna altijd een alwetende verteller.

Soms worden verhaal in de je-vorm geschreven. Het personage is dan vaak een stad, een overleden iemand of een voorwerp die de lezer toespreekt.

Wil je meer over vertelperspectieven weten? Kijk dan op www.schrijvenonline.org

  • Tip 1: Heb je een stukje van je reisverhaal geschreven? Herschrijf het stukje in een ander perspectief en kijk wat het effect is.
  • Tip 2: Herschrijf een stukje tekst vanuit een voorwerp in de ruimte waar je hoofdpersoon is.

‘In plaats daarvan griste ik mijn hoed van het nachtkastje en trok hem tot over mijn ogen. Toen ging pap weg. Nu is hij beneden worstjes aan het bakken. Ik hoor het sissen van het vet en het klotsen van de jus in de pan. Ik weet niet of het wel normaal is dat ik dat hierboven allemaal kan horen, maar ik kijk nergens meer van op. Nu hoor ik Cal, die mosterd heeft gehaald, zijn jas openritsen.’
Jenny Downham – Voor ik doodga

‘Hij glibberde over de bevroren modder en opende de achterklep. Terwijl hij tegen de bumper leunde, trok hij zijn bergschoenen aan. Op de parkeerplaats lagen een kapotte stoel en een plastic tractor zonder wielen.’
Sanneke van Hassel - Ezels

‘De dagen beginnen door elkaar te lopen. Was de operatie gisteren of eergisteren? Of vandaag? Was jij erbij of droomde je dat alleen maar? Misschien was je wel bij een andere operatie. Het is lastig te zeggen, want als je wakker bent, droom je ook. Over slapen.’
Miquel Bulness – Zorg

 


Opbouw en spanning

Een verhaal heeft altijd een conflict nodig. Het is datgene waar het verhaal om draait. Zonder conflict geen sterk verhaal. Dat hoeft niet iets groots te zijn. Een campingruzie of een gemiste trein bijvoorbeeld.

Grofweg is dit de opbouw van een verhaal:

  • A Je hoofdpersoon wil iets, maar wordt daarin gedwarsboomd. Door iets, iemand of hem- of haarzelf. Zonder zo’n conflict of probleem, heb je geen verhaal.
  • B De hoofdpersoon probeert er iets aan te doen, maar stuit op tegenwerking. Het probleem is dus niet simpel op te lossen. Je hoofdpersoon wordt tegenwerkt door een ander, een situatie of door zichzelf. 
  • C De hoofdpersoon lost het probleem (bijna) op en leer daar iets van.

Een verhaal bouw je op door spanning op te bouwen. Daarmee bedoelen we geen spanning zoals in een thriller, maar de noodzaak om door te lezen.
Hoe bouw je als schrijver die spanning op? Dat doe je door bij je lezer vragen op te roepen.
Wat is Pauline van plan? Zal iemand Shirley vinden die nu al drie dagen vermist is in de jungle? Hoe gaat Omar reageren op het voorstel van Amber? Wat rijst daar op uit zee?
Door vragen op te blijven roepen, wil je lezer weten hoe je verhaal verdergaat. Zo ‘sleep’ je hem door je verhaal.

  • Tip 1: Een tikkende klok kan helpen de spanning in je verhaal te verhogen. Als lezer vraag je je af: lukt het Bibi om de laatste boot te halen? Of lukt het Winston om op tijd bij zijn stervende tante te komen om informatie te krijgen over zijn overleden moeder? Gebruik dus een tijdslimiet of een begrensde locatie waarin je verhaal speelt. In plaats van de hele camping kun je bijvoorbeeld ook alleen het veldje, het washok of de kantine kiezen.
  • Tip 2: Schrijf op post-its de gebeurtenissen en plak ze op je deur of muur.
  • Tip 3: Bij elke alinea en pagina die je schrijft bedenk je van tevoren: welke vraag wil ik hier beantwoorden. Het handige hieraan is dat het meteen houvast geeft bij het schrijven. Typ dus bovenaan elke alinea en vraag de vraag die je wilt beantwoorden. Later kun je de vraag deleten.
  • Tip 4: Een ander steuntje is dat je voor elke scène kunt gebruiken is: Wie (of als het meer mensen zijn welke) / Wat is er aan de hand / Waar zijn ze (een plek).

‘Gioia gooit een plens water in haar gezicht, drinkt minstens een halve liter water uit de kraan, poetst haar tanden en alles lijkt rustiger te worden. Maar dan, als ze de deur van de badkamer opendoet en het licht uitdoet, zetten haar ouders beneden de tv uit en daalt er een absolute stilte neer. Plotseling voelt ze haar adem stokken in haar keel. Ze heeft een akelig voorgevoel, waardoor ze steeds langzamer naar haar kamer loopt.’
De bijzondere woorden van Gioia – Enrico Galiano

‘Max huilt. Tranen rollen over zijn wangen. Hij kan nauwelijks ademhalen. Maar tussen de snikken door knikt hij. Max knikt. Het is nu of nooit.’
Herinneringen van een denkbeeldig vriendje – Matthew Dicks

‘En nu had Enrico een bouwtekening. Hij stond op het punt steenrijk te worden.’
Mary Hofman - Stravaganza: Stad van maskers 


De kracht van details

Details zijn in een reisverhaal heel belangrijk. Ze roepen snel een sfeer op. Denk aan geuren, kleuren en smaken. Maar ook aan de woorden die je kiest. Welke woorden je kiest, hangt af van het effect dat je wilt oproepen. Wordt het een bloedstollend, verdrietig, romantisch, ironisch of realistisch? Vergelijk deze zinnen:

  • Het meisje liep over het plein naar de groentekraam.
  • De hipster huppelde over het overvolle marktplein naar de groentekraam waar het rook naar verse knoflook en sinaasappels.
  • In een speeltuintje draaide een meisje rondjes in een roze balletpakje.
  • Tussen een schommel en een verroeste wipkip deed een meisje in een hysterisch roze balletpakje of ze een prima-ballerina was.

Een ander bekend schrijfadvies is: show, don’t tell. Dus niet: Aan de kade stond een leuk restaurantje. Hoezo leuk? Je kunt het ook zo opschrijven: Bij de gedachte aan de verse sardines en de flauwe grappen van de ober, knorde mijn maag. Honger.

  • Tip 1: Overdrijf niet met beeldend schrijven: doseer en varieer. Niet elke handeling hoeft beeldend te zijn. Met een woord als lopen is niets mis. Wissel specifieke woorden af met algemene woorden, dat leest het prettigst.
  • Tip 2: Een andere manier om beeldend te schrijven is dialogen gebruiken. De manier waarop personages met elkaar praten, de dingen die ze zeggen of juist niet zeggen kunnen je verhaal versterken. Zo hoef je niet veel uit te leggen.

‘Ik beweeg langzaam, maar mijn gympen piepen op het pas geboende linoleum.’
54 minuten – Marijke Nijkamp

‘De voeten van de jongen bungelden zonder houvast te vinden, zijn handen hield hij een eindje voor zijn borst. Hij boog voorover en wipte op het zadel terwijl zijn zwarte paard door de duinen galoppeerde en langs de zee.’
Wilma Geldof – Elke dag een druppel gif.

‘Uit Elkes kleren walmt een diepe algenlucht dus mag ze kleren van Lassie lenen. Ze draagt een babyblauwe polo en een strakke roze trainingsbroek met witte strepen langs de zijkant.’
Enne Koens – Vogel: op de vlucht voor haar verleden

‘Mijn laarzen wachten doodstil op de gladde vliegveldvloer.’
Anna Woltz – Honderd uur nacht


De kracht van een goede titel

Een titel moet verrassen en opvallen. Een titel mag je verhaal niet verklappen, maar kan wel een tipje van de sluier oplichten.

Zeven manieren om een titel voor je reisverhaal te bedenken.

  1. Naam van het hoofdpersonage
    Gioia (Enrico Galiano)
    Vogel (Enne Koens)
    Aristoteles en Dante ontdekken de geheimen van het universum (Benjamin Alire Sáenz)
  2. Een omschrijving
    Als morgen niet bestaat (Jennifer L. Armentrout )
    Allemaal willen we de wereld (Els Beerten)
    Door de storm (Chris Vick)
  3. Getallen
    54 minuten (Marieke Nijkamp)
    100 uur nacht (Anna Woltz)
    Boreas en de vijftien vrienden (Mina Witteman)
  4. Locatie
    De hemel van Heivisj (Benny Lindelauf)
  5. Alliteratie (woorden met dezelfde beginletter)
    Bloed en beenderen (Tori Adeyemi)
    Ziel van het zwaard (Julie Kagawa)
  6. Eén kort woord
    Knock-out (Cis Meijer)
    Vallen (Anne Provoost)
    Gaten (Louis Sachar)
    Toerist (Özan Akyol)
  7. Een mededeling / zin
    Ik moet dit doen (Maren Stoffels)
    Met mij gaat het goed (Jan Simoen)
  • Tip 1 Kies eerst een werktitel. Pas als je verhaal af is, bedenk je een definitieve titel.
  • Tip 2 Probeer verschillende titels uit. Verschuift het accent van je verhaal als de titel anders wordt?

Puntjes op de i

Yes! Je eerste versie is af. Tijd voor de volgende ronde. Schrappen, omgooien en schaven maar.

Schrap alle woorden die je net zo goed kunt weglaten. Dat zijn kleine woorden als ‘nog’, ‘maar’, ‘even’ en ‘ook’. Hoe zit het met je bijvoeglijke naamwoorden (rode, geweldige, fijne, gekke)? Voegen ze iets toe of kun je ze ook weglaten of specifieker omschrijven?

Hetzelfde geldt voor zinnen, alinea’s en soms hele bladzijden. Heb je het echt in je verhaal nodig? Dat wil zeggen: hebben ze te maken met je conflict en ontwikkeling? Of geven ze informatie over jou en andere belangrijke personen in je verhaal? Is dat niet zo, schrap dan.

Je verhaal is als een song. Het ritme van de zang, de stem én de muziek kloppen. Geen woord en geen instrument te veel. Precies de juiste toonhoogte en lengte.

Zo werkt het ook met jouw verhaal. Of je zinnen lekker lopen en lezen, kun je het best uitproberen door ze hardop voor te lezen. Aan een ander of aan jezelf. Luister goed of je zinnen lekker lopen. Zet streepjes waar je nog iets wilt veranderen. Check waar:

- je struikelt over een woord, zinsdeel of zin.
- de zinnen kabbelen of te lang zijn.
- het tempo te gejaagd of juist te langzaam is.
- je de aandacht verliest.

Als je het verhaal voorleest vraag dan aan de ander wat hem of haar raakt in de tekst.

Ga nu met al je opmerkingen schrappen en herschrijven. Aanpassingen kun je doen door de zinnen niet allemaal eenzelfde lengte te geven. Wissel korte en lange zinnen af. Beschrijf af en toe een dialoog (een gesprek) en versnel (de volgende dag) of vertraag (beschrijf heel precies een locatie) je verhaal als het nodig is.

  • Tip 1: Zorg voor leesbaar document en een ruime bladspiegel. Houd een prettige regelafstand aan en zorg dat iedere alinea voorafgaat aan een regel wit.
  • Tip 2: Gebruik je dialogen: zet de woorden van de volgende spreker dan op een nieuwe regel.
    ‘Waar denk jij dat we naartoe gaan?’
    Ze haalt haar schouders op. Zo’n uitgebreid gesprek heeft ze al lange tijd niet meer met iemand gehad.
    ‘Ik denk dat we naar Frankrijk gaan,’ zegt Hank. Hij kijkt er beteuterd bij.
    Lupé knikt. ‘Dat denk ik ook.’
    ‘Zeker weten dat we naar Frankrijk gaan’, zegt een andere mannelijke soldaat [….]
    Michael Grant – De laatste missie

Tip:

Ga naar een schrijfworkshop. Dan kun je nog beter leren schrijven en inspiratie opdoen.

  • Schrijfcafé

    Vind tijdens Open Monumentendag schrijfinspiratie in het markante gebouw van bieb Neude. Aan de hand van opdrachten van Tools voor Taal ontdek je de bouwstenen van een gedicht en verhaal en speel je net...

    Van 10:30 tot 12:30

    Bibliotheek Neude - Postzaal 2 en 3

    za 12 sep

  • Schrijfcafé: Zomereditie

    Kom deze zomer schrijven over reizen. Tools voor taal daagt je uit om schrijfmeters te maken. Schrijven is uitproberen, experimenteren en nieuwe stijlen ontdekken. Verras jezelf en ontdek dat ook jij schrijftalent...

    Van 10:30 tot 12:30

    Bibliotheek Neude - Postzaal 2 en 3

    za 22 aug

Mooie boeken om te lezen en schrijfinspiratie uit te halen